Annemarie en Wim in AmΓ©rica Latina

Avontuurlijke trektocht met overnachting in de bergen

Om half negen komen de deelnemers van de trekking bij elkaar, drie westerlingen (Anne een Française en wij) en een gids. Later zal daar nog een berggids (bewoner van de bergdorpen) bijkomen. We worden naar het vertrekpunt gebracht door een tuk tuk. Het dorp waar we starten is al meteen een prachtig authentiek dorp van de Hmong waar we uitleg krijgen over hoe ons te gedragen ten opzichte van de bergbewoners. We krijgen ook nog eens vier liter water mee in onze rugzak waardoor het gewicht aardig toeneemt. Het huis van de Shaman bezoeken is onze eerste actie en we zien hoe hij met acht huisgenoten in een ruimte leeft. De Shaman is de medicijnman van het dorp waar mensen eerst naar toe komen bij ziektes, tegenslag etc. Hij heeft ook een hele wand met relikwiën waar we uitleg over krijgen en meteen weer vergeten.

Dan begint de wandeling door de rijstvelden overgaand in suikerrietvelden. De gids vertelt ons dat het bruine suiker is en 1500 dollar per hectare oplevert. We zien op de rijstvelden hele groepen Loa rijstplantjes uitzetten. Langzaam gaat de route over in struikgewas en hoog riet dat amper een pad te noemen is. Als we even stoppen bij een prachtig uitzichtpunt over de rijstvelden waar we doorheen gelopen zijn, begint het te regenen. We weten dan nog niet dat het vervolgens 48 uur zal blijven regenen. De tocht wordt zwaarder en de helling steiler. We moeten onze regenkleding aan, de rugzak is al zwaar en de temperatuur loopt op. Om half twaalf regent het gewoon voluit terwijl we onze lunch nuttigen onder een boom voor enige beschutting; kleefrijst, stukjes gebakken vlees en omelet, allemaal in bananenblad verpakt. Uiteraard met de handjes eten. Na de lunch denken we het wat gemakkelijker te krijgen, maar het omgekeerde blijkt het geval. Het pad is niet meer te herkennen, het wordt nog glibberiger en de verzuring treedt in. We klimmen in drie uur tijd van 1200 meter naar bijna 2000 meter over bijna onbegaanbaar modderig terrein. Om drie uur zien we de eerste contouren van een hooggelegen bergdorpje.

We geloven onze ogen niet als we het dorp 'Paw ai ko' binnenlopen: moeten wij hier logeren? Een bergdorp van de Akha (een etnische minderheid) zonder enige vorm van luxe. Het eerste dorp dat wij zien waar geen stroom en stromend water is. Mensen leven hier letterlijk nog in de middeleeuwen met het daglicht als leidraad. We komen bij onze hut, eenzelfde hut als al die andere hutjes in het dorp. Als Annemarie naar het toilet vraagt antwoordt de gids door de vrije natuur in te wijzen. Allereerst maar even onze vieze schoenen en broeken schoonspoelen in een viezig waterstroompje. Als we terugkomen bij onze hut zit de hele veranda vol met mannen. Er is al vuur gemaakt door de gidsen en we kunnen onze natte spullen bij het vuur zetten en ophangen. Vuur wordt gewoon binnen in de hut gemaakt in het zogenaamde keukengedeelte. Een schoorsteen is er niet, de hut is voldoende open om het grootste deel van de rook te laten verdwijnen.

Nadat we ons gefatsoeneerd hebben gaan we tussen de mannen op de veranda zitten en proberen met handen en voeten wat te communiceren, we hebben helaas geen goed communicatieplan ;-). Eén van de mannen maakt ons duidelijk dat ze Lao Lao (whiskey) hebben. Het is de bedoeling dat wij een fles Lao Lao kopen en we die met z'n allen leegdrinken. Wim laat meteen een fles brengen die ons 12.000 kip kost; iets meer dan één euro (kip is de munteenheid van Laos). De man komt terug met de fles whiskey en twee kleine vieze glaasjes (hopelijk doodt de alcohol alle resterende bacteriën). Wij krijgen als eerste een borrel en daarna gaat de fles rond bij de mannen, we hebben nieuwe vrienden voor het leven! Anne, onze reisgenote, drinkt nooit alcohol, maar onze berggids doet graag mee.

Onze gidsen maken het avondeten klaar dat bestaat uit gekookte rijst, gebakken vlees en geroosterde bamboe met chilipepers. En als toetje, geschenk van het dorp, gestoomde maiskolven met een kopje lao-thee. Tijdens de thee zit een viertal mannen in het keukengedeelte de restjes van ons eten op te eten. Na het eten herhaalt het ritueel rondom de whiskey zich nog een keer. Vervolgens roept onze gids wat richting dorp. Verschillende mannen op onze veranda herhalen dit en er komt beweging in de groep vrouwen en kinderen die op afstand staan. Even later komen vier jonge meiden naar onze hut gelopen. We krijgen een traditionele Akha-massage die wordt gadegeslagen door de mannen en een paar nieuwsgierige meisjes. Alle vrouwen leren het masseren al op jonge leeftijd om de mannen die het zware werk doen te kunnen masseren. Op de vraag waarom de mannen niet leren masseren (de vrouwen lopen tenslotte zes uur per dag met zware manden op hun hoofd en schouders) komt geen antwoord.

Om acht uur is het donker dus we gaan slapen. Een drie centimeter dikke matras wordt op de bamboe bodem gelegd met een keihard hoofdkussen en een deken. We liggen met z'n vijven naast elkaar in de hut, drie westerlingen en twee gidsen. Als het vuur nog wat oplaait zien we gelukkig net op tijd dat de schoenen die daarboven hangen beter weggehaald kunnen worden tijdens de nacht. Als een van de gidsen de geiten wegjaagt die steeds op onze veranda klimmen, wordt het iets rustiger. Nog slechts een enkel varken scharrelt onder onze hut. Dan blijkt er een koe te moeten bevallen. Het geluid van de kalvende koe houdt uren aan. Het is dus niet zo verwonderlijk dat we slecht slapen.

We worden om half zes gewekt door de vele hanen in het dorp, gevolgd door de kakelende vrouwen die alweer actief zijn. We trekken dezelfde kleding weer aan en ook onze schoenen die iets droger zijn. Wassen is niet aan de orde, we poetsen alleen onze tanden. Als we op de veranda de vroege bedrijvigheid (het is nog maar zes uur) in het dorp zitten te observeren, worden we verwend met een lekkere kop hete thee. Het ontbijt bestaat uit droge noedels in bouillon en een klef zoet broodje.

Tijdens het ontbijt willen we meer weten over het leven van deze mensen en uiteraard over 'opium'. Dan blijkt dat opium nog steeds wordt verbouwd op geheime plekken in de bergen waar de overheid niet komt. Vooral de bergketen langs de Mekong is daarvoor geschikt. Opium is nog altijd prominent aanwezig in het dorp, vele mannen roken opium en een groot aantal is verslaafd. We hadden het al wel gezien: de ingevallen gezichten, de glazige blik en de magere, kromme houding. Veel van de opium gaat naar Myanmar en China, soms in magen van koeien die vervoerd worden naar andere landen (waar kennen we dat trucje ook weer van?).

De Akha is een zeer bijgelovig volk. Bij de ingang van het dorp is een toegangspoort die hen scheidt van de grote boze wereld. Wij mogen de poort ook niet aanraken. Pas sinds 1999 is invloed uitgeoefend door de overheid op andere effecten van hun bijgeloof. Als een vrouw bevalt van een tweeling brengt dat ongeluk in het dorp. De vrouw moet zo snel mogelijk het dorp uit met de tweeling om ze ergens weg te geven. Tien jaar geleden werd de tweeling nog gedood door de dorpsbewoners. Het hele dorp besprenkelde de baby's met gloeiende as tot ze dood waren. Als varkens maar één of twee biggen hebben brengt dat ook ongeluk in het dorp. De biggen worden dan gedood. Als ze meer biggen hebben is er natuurlijk niks aan de hand. Varkens moeten overigens buiten het dorp bevallen en geiten in het dorp (of andersom) anders brengt dit ook ongeluk.

Op het hoogste punt van het dorp staat een vierpoot met een zogenaamde schommel. De schommel wordt gebruikt tijdens een jaarlijks ritueel feest en is tevens een officiële ontmoetingsplek voor huwbare jongeren. Akha verorberen vrijwel alles wat eetbaar is; varkens, honden, geiten, kippen, insecten, en vele soorten groenten en kruiden. Verder alles wat er nog te jagen valt. We zagen bij binnenkomst in het dorp een jonge man met een éénloops geweer (een zoals op oude tekeningen van prairiejagers in Amerika). Inmiddels zijn verschillende gezinnen verhuisd naar het dal. Er wonen nog 38 gezinnen in het dorp met in totaal 180 inwoners. Deze bergbewoners blijven hier wonen omdat ze dit (vrije) leven wensen, maar ook vanwege de opiumteelt en opiumgebruik.

Om half acht vertrekken we weer, het regent nog steeds. We doen een kleine donatie aan het dorp en Annemarie doneert ook haar Sarong (omslagrok) die ze voor deze tocht gekocht had op de markt. De sarong zou nodig zijn om je bedekt te kunnen wassen, maar in dit dorp is zoals gezegd geen stromend water dus ook geen wasplaats. Het dorp loopt overigens ook leeg, de vrouwen lopen naar de markt en de mannen gaan ook aan het werk (wat het ook mag zijn). Vrouwen lopen elke dag op en neer naar de markt (3 uur heen en 3 uur terug) om inkopen te doen maar ook om stiekum opium verhandelen. Dit vindt plaats achter de façade van handwerkspullen die op de markt verkocht worden. De tocht naar beneden is zwaar omdat het inmiddels door de zware regenval erg glad geworden is op het smalle pad, met rechts vaak steile rotsen en links een behoorlijk steile afgrond. Onderweg zien we de gevolgen van de zwerflandbouw. Het schijnt dat met name de aanplant van rubberbomen, door Chinezen aangespoord, de meeste schade aanricht omdat complete bergen daarvoor worden platgebrand. Om de vijf jaar branden de bergbewoners een nieuw stuk bos plat om vervolgens droge rijst, mais of suikerriet te planten. Na zo'n 15 jaar komen ze weer op hetzelfde terrein terug en verbranden ze het nieuwe hout weer. Deze cyclus is slechts drie keer te herhalen en dan groeien er geen bomen meer. Met opnieuw kletsnatte voeten en een ongelofelijk vieze broek komen we terug in de bewoonde wereld. We worden met een tuk tuk naar het restaurant van onze eerste gids gereden.

Naast dit werk heeft hij samen met zijn vrouw en dochter een klein restaurant aan de rand van het dorp. Het gebouw is in z'n geheel in bamboestijl opgetrokken. Daarnaast hebben ze een 'herbal' sauna en massage. Ter compensatie voor de weersomstandigheden krijgen we een heerlijke lunch geserveerd van kleefrijst, gebakken rund en omelet. Na het eten neemt de berggids afscheid van ons. Met onze restaurantgids praten we nog wat na en wisselen gegevens uit. Hij wil ooit nog een guesthouse aanbouwen, ook in bamboestijl. Het uitzicht vanuit zijn restaurant is fenomenaal, rondom in de rijstvelden met de Chinese bergen op de achtergrond. We kunnen zijn restaurant (Muang Sing View) en zijn toekomstige guesthouse inclusief trekking, van harte aanbevelen bij reizigers die Muang Sing aandoen ([email protected]).

Wij gaan Laos verlaten met de volgende gevoelens: waardering voor het natuurschoon van Laos en tegelijkertijd verwondering over de vervuiling en vernietiging van diezelfde natuur. Genoten van de vriendelijkheid van de Lao en tevens verwondering over de botheid van dit volk. Geleerd dat we niet zo maar kunnen vertrouwen op de menukaart, dit leidt vaak tot 'oooh sorry, no hep'

We moeten over twee dagen Laos verlaten hebben i.v.m. de vervaldatum van ons visum. De volgende verhalen en foto's zullen de komende zeven weken dus vanuit Vietnam komen.Voor jullie allemaal een hele goede vakantie gewenst, groet aan iedereen en kom gezond weer terug!!!! Wij blijven gewoon schrijven.......

Van Luang Prabang naar Muang Sing (Noord-Laos)

We zijn in Luang Prabang, de oude koninklijke hoofdstad (600 meter hoogte) waar de Mekong en de Khan samenstromen. Het is een ongewoon fijne stad om te verblijven. Een vredige stad met traditionele huizen in Lao-stijl met hier en daar nog wat koloniale invloeden. De stad is in haar geheel op de werelderfgoedlijst gezet en is alleen daardoor al een toeristische bestemming. Wanneer je de hoofdstraat (Thanon Phothisalat) mijd en vooral de boulevard aan de Mekong als verblijfsplaats kiest, is het een fantastische stad. We hebben voornamelijk gewandeld en genoten van de sfeer van deze geweldige autentieke stad die in alle opzichten de hoofdstad van Laos zou moeten en kunnen zijn. Het oude koningspaleis, nu museum, is niet heel verrassend, maar wel mooi en bijzonder.

Omdat we een lange boottocht gaan maken kopen we in een 'tweedehands' boekhandel een paar (Nederlandstalige) boeken. Frapant om te zien hoe ruilen van boeken tussen backpackers in Lao kan worden omgezet in handel met een extra vleugje Aziatiatiek (is dit een echt woord?). Tijdens het uitzoeken van de twee boeken hebben we heerlijke Lao-koffie gedronken, wij houden van sterke koffie, dus dan is Lao-koffie bijzonder lekker. Na drie dagen, met weemoed in het hart, nemen we afscheid van Luang Prabang en varen met een slowboat over de Mekong naar Pakbeng. De reis duurt tien uur en is zeer indrukwekkend. De Mekong is in dit gebied en in deze periode een rivier met vele, boven het watervlak uitstekende, rotspartijen met spannende stroomversnellingen. Afhankelijk van de waterstand wordt bepaald of de boot kan varen. We zien hoge rotsen langs de oevers, maar ook kleine dorpjes met vissersbootjes. Wassende monikken en op het strand spelende kinderen. Nomaden die hun tenten hebben opgezet aan de oever van de Mekong en de Lao die zich in de rivier wassen. Op de boot gaat het precies zoals met de bus; bij elke mogelijke stop wordt aangelegd t.b.v. passagiers en/of vracht.

Bij donker komen we in Pakbeng, een dorpje gebouwd op een rots en vooral doorvoerhaven voor andere bestemmingen. Wij blijven een extra dag in Pakbeng om het dorpje met omgeving te verkennen en wederom toeristen te ontvluchten. Dat laatste lukt overigens niet echt, zeker niet als we Laura, een jonge vrouw uit Zwitserland tegenkomen. Als zij ons bij 'the information' aanspreekt is het al duidelijk, hier komen wij niet zomaar vanaf! Een bijzonder detail van Pakbeng is wel dat het electra er om 22.30 uit gaat en pas weer om 18.00 uur aan. In de avond is dat nog wel charmant en kunnen we daar goed mee leven, maar in de ochtend hebben we echt een probleem. Onze badkamer (groot woord) heeft namelijk geen daglicht. Als Wim om electra gaat vragen is dat niet mogelijk, maar even later werd op de deur geklopt en krijgen we een bordje met daarop een kaars met aansteker.

Later op de dag lopen we het dorp hele dorp door. Guesthouses en restaurants zijn alleen bij de haven en dus is het dorp verderop een traditioneel dorp met heel veel leuke bijzonderheden. Strandjes waar de kinderen heerlijk kunnen vertoeven, prachtige rotspartijen en mooie zijriviertjes. We worden in het benedendorp (voornamelijk bamboehuisjes) vriendelijk bejegend. Een oude vrouw die bezig is met het maken van onderdelen voor bamboebladeren daken, wenkt ons om te komen kijken en ervaren hoe ze dat doet. Verderop werkt een aantal mannen aan een houten constructie voor een huis. Wim wil ook wel eens proberen om een vijfduimer (grote draadnagel) in een hardhouten balk te slaan. Als het hem lukt wordt hij verrast met een geweldig applaus door het halve dorp dat inmiddels is uitgelopen om die 'falang' (vreemdeling) te zien werken. Laat in de middag zitten we op een terras bij de haven. We vinden daar opnieuw een Nederlandstalig boek (De Vliegeraar van Khaled Hosseini) en ruilen deze voor één van de boeken die we al uitgelezen hebben.

De volgende morgen reizen we door naar Houay Xai, de meest Westelijke stad van Laos en bekend als belangrijke doorvoerhaven binnen de beruchte Gouden Driehoek; Thailand (Siam), Myanmar (Birma) en Laos, samen goed voor het grootste deel van de (illegale) opiumteelt en de wereldwijde handel daarvan. Laos was zo'n tien jaar geleden na Myanmar de grootste opiumproducent ter wereld. Al sinds mensenheugenis wordt er in Laos opium verbouwd en dat concentreert zich in het Noord-Westen van het land, met als doorvoerhaven Houay Xai. De stof wordt uit papaver gewonnen. Het sap dat uit de bol loopt droogt op tot een kleverige bruine stof die men in bolletjes verkoopt. Vaak wordt opium in een pijp gerookt. Wij hebben verschillende pijpen bestudeerd op de markt, maar niet uitgeprobeerd. Van de opiumteelt kunnen we weinig ondekken en dat is niet zo vreemd omdat de plantjes in oktober geplant worden en in januari/februari geoogst. Opium verbouwen is aantrekkelijk omdat de plant weinig aandacht nodig heeft en op arme grond prima gedijt. Hele bergstammen zijn van de papaverteelt (opium) afhankelijk, het is vaak hun enige bron van inkomsten.

Ook hier blijven we de Zwitserse Laura tegenkomen. Tijdens de bootreis hield ze zich nog rustig, maar als ze voorstelt om samen door te reizen blijkt de omgekeerde charme van Wim dodelijk genoeg (het sjouwen van vier van haar zesentwintig tassen staat hem nog vers in zijn geheugen) en kiest de Zwitserse voor een extra dagje rust. Als we even later plannen maken voor de doorreis, uiteraard onder het genot van een Beerlao, kriebelt er wat onder het shirt van Wim. Na inspectie van Annemarie blijkt het een kleine Gecko van zo'n drie centimeter lengte. De beestjes doen geen kwaad, maar het is toch even een gekke gewaarwording.

Wij vertrekken naar het uiterste Noord-Westen om te ontdekken of er nog sprake is van openlijke handel in opium. Onze bestemming Muang Sing zou vroeger tot één van de belangrijkste en grootste opiumcentra behoren. De reis naar dit dorp gaat dwars door dichtbebost gebied en is fenomenaal. Als we het dal inrijden zien we in de verte de Chinese bergen opdoemen. Muang Sing, twaalf kilometer van de Chinese grens in een rivierdal op 1200 meter hoogte, omringd door prachtige bergen. Het dorp is een belangrijk handelscentrum voor de bergbewoners maar lijkt verder onbeduidend. Van handel in Opium is niets meer te ontdekken. Rondom Muang Sing zijn vele kleine bergdorpjes waarvan velen bewoond door de 'Hmong' en 'Akha' (etnische bergvolkeren). Vijftig procent van de inwoners van deze regio behoort tot de Akha-gemeenschappen.

We besluiten om een 'trekking' te ondernemen met een echte berggids. Een looptocht door de jungle langs een vijftal bergdorpen en in één van de dorpen zullen we overnachten. We weten dan nog niet hoe zwaar het gaat worden, dus lees het volgende verhaal.........................

Van Vientiane naar Luang Prabang

Vientiane is een ruim opgezette stad vergelijkbaar met Oss ;-) en in wezen is daarmee alles gezegd. Het is de hoofdstad van Laos, maar beslist geen metropool zoals Saigon of Phnom Penh. Waarom al die westerse toeristen hier naartoe komen is ons een raadsel. Behalve vierenzeventig tempels (of iets daar in de buurt), allemaal van hetzelfde soort en op een enkele na allemaal van laat in de twintigste eeuw, is er niet veel te zien en te beleven in Vientiane. Webezoeken de gebruikelijke toeristische bezienswaardigheden waaronder 'Pha That Luang' (een grote Stoepa) het nationale symbool van Laos. Verderzijn we niet zo erg onder de indruk. Ook de kade aan de Mekong (er wordt ook nog aan gewerkt) is niet indrukwekkend. Het meest grappige dat we zien is wel het Boeddha-park zo'n twintig kilometer buiten de stad. Niet meer dan een verzameling van ongelofelijk grote en groteske beelden van zowel Boeddha- als Hindoestijl. Gewoon van beton en sterk verwaarloosd, maar nog steeds een zondagsuitje voor de locale bevolking. De invloed van de Efteling is in dit park duidelijk te zien ;-)

Een aardig detail over Vientiane (Vieng Chan): begin jaren zeventig stond de stad bekend als een poel der verderf. 'De bordelen zijn schoner dan de hotels, marihuana is goedkoper dan tabak en opium is gemakkelijker te verkrijgen dan een koud glas bier', werd destijds gezegd. Wij kunnen jullie verzekeren dat het Communistisch regime daar na de revolutie korte metten mee gemaakt heeft. Hoewel we wel weer wat oudere westerlingen met jonge Loatiaanse vrouwen zien. We verlaten Vientiane weer snel en zonder wroeging.

Honderdzestig kilometer noordelijker komen we in Vang Vieng aan de rivier Nam Song. Het is een klein plaatsje in een prachtig Karstlandschap. Doet ons een beetje denken aan de Dolomieten in Noord Italie. Een ongelofelijk mooi berglandschap waardoor het dorpje volledig is ingenomen door budgetreizigers (niet te verwarren met backpackers), voornamelijk Amerikanen en Engelsen. Het plaatsje zelf is een aaneenschakeling van guesthouses, bars, massagesalons, hotels, restaurants en internetcafés. Een plaats die zo wordt ingenomen door toeristen krijgt dan uiteraard te maken met de gebruikelijke overlast.

Westerlingen die kayaken, wandeltochten maken met een gids, klimmen en .... vooral eten en zuipen. Het meest opmerkelijke vonden wij wel de restaurants waar een soort Japanse eettafeltjes dienst deden als liggende TV-banken waar vooral gekeken werd naar oude afleveringen van Friends (zie foto). Toerisme is wel de belangrijkste bron van inkomsten voor de plaatselijke bevolking, dus wij zeggen verder niets!

Wij blijven toch één dag om het prachtig berglandschap te bekijken. We huren daarvoor een scooter en dan blijkt het niet zo gemakkelijk wanneer je de verharde wegen verlaat. We hebben de scooter een zware dag bezorgd, hele mooie dingen gezien en uiteraard een grot bezocht, maar dan wel één zonder gids en als enige toeristen in de buurt. Het landschap heeft ons hart gestolen en zeker de plaatsen waar toerisme nog geen vat op heeft, zoals afgelegen dorpjes in de bergen aan een zijriviertje met glashelder water.

Een dag later reizen we via een prachtige route door de bergen naar Phonsavan. Van het karstlandschap van Vang Vieng met haar door regenwater gebeeldhouwde bergtoppen, naar een Alpenachtige (uiteraard zonder sneeuw), indrukwekkende bergketen. Nog geen snelwegen of tunnels te bekennen. Alles via haarspeldbochten met een buschauffeur die zijn persoonlijk record van gisteren trachtte te verbeteren (vandaag precies vijf uur en 57 minuten). Twee reispilletjes en twee blikjes cola zijn maar net voldoende voor Annemarie om ook van het fenomenale landschap te genieten. Als we op de hoogvlakte van de provincie Xieng Khuang komen wordt het langzaam glooiend en heel groen. Het lijkt een beetje op een heuvelachtige, grote golfbaan.

We komen in het stadje Phonsavan, niet veel meer dan een lange straat met huisjes en een markt. Het is de hoofdstad van de provincie en een mooie uitvalsbasis voor 'de vlakte der kruiken': meer dan 400 staande, hellende en liggende kruiken varierend in hoogte van 40 cm tot 3 meter en hebben een doorsnede tot 2,5 meter. De zwaarste kruik weegt 6 ton. Volgens de legende bevrijdde een heldhaftige Zuid-Chinese koning de bevolking en werd er dagenlang feestgevierd met gigantische hoeveelheden rijstwijn uit hele grote vaten. De mannen waren veel groter dan de mensen nu, dus moet je wel hele grote kruiken hebben om hun dorst te lessen.

De kruiken zijn waarschijnlijk meer dan 2000 jaar oud en de makers behoorden tot een megalithische beschaving van onbekende afkomst, zover wij kunnen achterhalen. De vraag is; hoe zij de vaten (waarschijnlijk urnen) met primitieve middelen konden maken? Wellicht een vraag voor onze jonge onderzoekers binnen WON.

Een ander belangrijk gegeven over Laos en vooral deze regio is de enorme hoeveelheid oorlogsschroot dat is overgebleven van de Amerikaanse bombardementen. Laos is het meest gebombardeerde land ter wereld. Onder andere omdat de Ho Chi Minh-route door Oost-Laos liep en de Amerikanen dat gebied met tienduizenden clusterbommen bestookten. Vervolgens wierpen de Amerikaanse piloten, die na een luchtaanval op Noord-Vietnam terugkeerden naar hun basis in Thailand, de niet-gebruikte bommen willekeurig boven de provincie Xieng Khuang af. Elke clusterbom bevatte honderden kleine bommetjes of bombi's die nog steeds hun tol eisen. Ze liggen over een groot gebied verspreid in velden en akkers.

De bevolking van deze provincie profiteert van de overblijfselen van de oorlog. Bomkraters doen dienst als visvijver en waterreservoir. De langwerpige hulzen van clusterbommen worden gebruikt als fundering voor hun huizen, als afscheiding van het terrein of als decoratie. We zien daar verschillende voorbeelden van.

We gaan ook naar de oude hoofdstad Xieng Khuang. De stad is in de Indo-China oorlog door de Amerikanen nagenoeg platgebombardeerd. Er zijn dus slechts ruines over. Op de terugweg doen we wat etnische dorpen aan. In de dorpen van de Hmong zien we zelfs oud oorlogsschroot als pilaren voor een schuurtje.

Een aardig detail over de Hmong-mannen (dames even oren dicht) is dat ze meerdere vrouwen mogen hebben. Een man die het zich kan veroorloven trouwt op zijn twintigste, dertigste en veertigste levensjaar met een meisje van ongeveer 16 jaar. De eerste twee vrouwen om de kost te verdienen en de derde om het geld mee op te maken.

Wim is daar gelukkig te oud voor dus... gaan we weer verder naar Phou Khoun, een klein dorpje in het berggebied op zo'n achtienhonderd meter hoogte. We zijn daar de enige 'vreemdelingen'. Kinderen roepen steeds 'sabaidee falang': 'hallo vreemdelingen'. Ze waarschuwen elkaar en rennen naar een plek waar ze ons veilig kunnen gadeslaan, en zwaaien en roepen als we voorbij zijn.

We zijn de budgetreizigers ontvlucht en gaan wandelen in de bergen. We zien op enig moment een pad naar boven en klimmen omhoog. Het is het begin van een fantastische wandeling in de bergen. We vermoeden uiteindelijk in een bergdorpje uit te komen, maar na twee uur lopen geven we het op en lopen terug. Wat een prachtig landschap zo weg van alle leven. We komen op een soort handelspad, dwars door de bergen, waarover de dorpsbewoners hun waren naar de marktjes in de dorpen en stadjes brengen. Eén voorbijganger is wel heel confronterend, een vrouw van ongeveer tachtig jaar met een heel zware rugmand op weg naar de markt (zie foto). Al met al zijn we zo'n vier uur onderweg.

Bij terugkomst halfweg de middag, smaakt 'Beerlao' extra lekker. Plotseling valt een hevige mist in en voor het eerst moeten we een vest aan. Het blijkt een regelmatig voorkomende mist te zijn die rond de bergtoppen blijft hangen. Voor ons erg vreemd omdat het door de wind wel op rook lijkt, maar voor de plaatselijke bevolking een bekend verschijnsel.

Op enig moment horen we van hogergelegen gebouwen muziek komen. We lopen naar boven en komen bij 'the administration-office' van het districtsgebied waar de jaarlijkse bijeenkomst geweest is. Op de bijeenkomst waren alle bestuurders uit het district vertegenwoordigd en de bijeenkomst wordt zoals gebruikelijk afgesloten met een feest. En daar zitten wij dan opeens middenin een regionaal feestje in een dorpje waar verder helemaal niks te doen is. We worden met buigingen ontvangen en moeten gaan zitten en vooral drinken. De gouveneur van het district komt een praatje maken en we moeten bij hem aan tafel komen zitten. Na wat beleefde plichtplegingen weten we te ontkomen aan het feestgedruis voordat we moeten gaan zingen (karaoke) en Lao-dansen. Om negen uur gaan we naar bed, het dorp is donker en uitgestorven, kroegen zijn er niet.

De volgende ochtend is het wachten op de bus naar Luang Prabang, onze volgende bestemming. Een dienstregeling is er niet; je moet gewoon op de kruising midden in het dorp wachten en vooral zwaaien als de bus in zicht komt.

Centraal Laos

Als echte avonturiers wilden we dus via de ongebaande wegen het berggebied blijven volgen richting het Noorden. Vanuit Tadlo vertrekken we om ongeveer negen uur richting Saravan. Op het busstation wordt ons duidelijk gemaakt dat er geen bussen vertrekken richting het noordelijk gelegen Phin. We geven niet zo snel op en willen iets meer weten over ander vervoer zoals een pickup of boerenkar. Er wordt hartelijk om ons gelachen en uiteindelijk wordt een loopgebaar gemaakt; lopen is de enige optie in dit gebied als je niet over de gebaande wegen wilt. Na de nodige omzwervingen en heel veel tijdverlies zijn we vijf uur later weer op dezelfde plek aan de doorgaande weg bij Tadlo. Dertien uur later zijn we in Savannakhet; de tweede stad van het land aan de Mekong. Inmiddels weten we dat alleen langs de Mekong geasfalteerde wegen lopen of vanuit dit gebied richting Vietnam. We hebben een lesje geleerd.

Onder andere hierdoor en omdat we aan een nieuwe uitdaging toe zijn, oriënteren we ons op de koop van een motor. Voor zo'n achthonderd euro kunnen we hier een 125 cc motor kopen. Ook dit avontuur wordt helaas in de kiem gesmoord als blijkt dat we als buitenlander geen motor mogen kopen. Loas is een Communistisch land met een liberaal tintje maar nog niet liberaal genoeg. Daarbij schijnt het ook zo te zijn dat we met een motor die in Laos gekocht is de grens met Vietnam moeilijk over kunnen. We durven het risico niet aan en stellen deze droom uit tot in Noord-Vietnam.

In Savannakhet hebben we een paar aardige belevenissen; Annemarie wordt in de middag door vier vrouwen belaagd waarna ze, midden op straat (boulevard), een volledige schoonheidsbehandeling krijgt; massage, scrubben, pedicure en nagels lakken. Helemaal gepimpt en 5 euro armer moeten we even later op het terras weer onderhandelen over de prijs van een blikje bier. Aan de ene kant de charme van Azië, maar soms oh zo vermoeiend. Vooral in Laos krijgen we het gevoel dat wij als toerist fors meer moeten betalen als we niet alert zijn.

Op aangeven van Patrick (Franse kok in Mekongrestaurant) bezoeken we een kleine katoenfabriek. Laos staat bekend om zijn goede kwaliteit katoen en vooral het kleuren daarvan d.m.v. natuurlijke producten. De fabriek koopt de katoen in bij kleine boeren in de regio, zorgt zelf voor kleuring en het weven gebeurt bij kleine zelfstandigen in de stad. Vervolgens wordt er maatkleding van gemaakt. We worden rondgeleid door de charmante vrouwelijke manager. Toen ik wees op de voering van een jasje werd door de manager onmiddellijk gereageerd; ze konden binnen vier uur een maatjasje met en zonder voering voor mij maken. Allemaal dames en één heer die kleding zitten te naaien, maar we worden het meest getroffen door de dames die het verfwerk verrichten. Met een kleinigheidje verlaten we de 'fabriek'.

Vanaf de boulevard (schoonheidsbehandeling) bij een klein kraampje kijken we naar de zonsondergang aan Tailandse zijde uiteraard met een biertje in de hand. Wim had inmiddels zijn gewone bril op maar moet deze met regelmaat afzetten om foto's terug te kijken of iets te lezen. Op dezelfde boulevard, maar dan een stukje verder gaan we 's-avonds uit eten. Japanse zitjes met tafeltjes van 20 cm hoog en kussens om op te zitten. Helaas kan Wim, als oude stramme man, daar niet meer tegen dus kiezen we voor iets hogere tafeltjes met een gat in het midden en kinderstoeljes er omheen. In dat gat wordt later een stenen pot met hete kolen gezet en daar weer bovenop een schaalpan. In het midden van deze pan is een hoger gedeelte met gaatjes. We krijgen uitgebreide instructie over hoe te handelen, het blijkt een combinatie van fonduen en gourmetten. Heel bijzonder met vier soorten vlees en vis, verse groenten en heeeeeel lekker. De Laotiaan heeft een betere keuken dan de Cambodjaan. De sfeer is werkelijk fantastisch en we maken met meerdere mensen kennis die daar ook eten. Dan realiseert Wim zich dat zijn bril waarschijnlijk nog ergens bij dat kleine kraampje moet liggen. Niemand meer te bekennen, alles is opgeruimd, bril kwijt........

Voor een afzakkertje lopen we nog even naar de overkant, de Mekongbar. Daar raken we in gesprek met Patrick, een Fransman die achtien jaar geleden in Laos is gestrand en Foo Desmond, een zakenman uit Singapore die een dochter heeft die graag in Nederland wil studeren. Annemarie neemt de uitdaging aan om B52 (bomber fifty-two) te drinken. Terwijl het spul nog brandt moet ze met een rietje de drank naar binnen slurpen, maar dit zal ongetwijfeld bij de jongeren onder jullie bekend voorkomen. Na de nodige biertjes waarbij Foo Wim z'n glas blijft volschenken, nemen we afscheid. Wij mogen niks betalen, maar daarvoor beloven we wel dat z'n dochter bij ons mag logeren als ze in Nederland komt studeren. Emailadressen en telefoonnummers worden uitgewisseld.

De volgende dag (nog een beetje dizzy) reizen we verder, maar dit keer een kortere afstand; we hebben onze les geleerd. We lopen tegen beter weten in toch nog even langs de boulevard om te kijken of het kleine kraampje al open is en dan misschien....... de mevrouw ziet Wim aankomen, pakt haar geldblik en haalt er de bril uit, wat een mazzel.

Onderweg stoppen we één keer bij een markt waar bijzondere producten te koop zijn. Onze aandacht wordt getrokken door deels levende en deels dode beesten die bij een kraampje verkocht worden. Slangen en Varanen (dank voor de info; heerlijk om te lezen!) koop je levend, maar konijnen en marterachtigen zijn al dood. Onze buschauffeur antwoordt op onze vraag of de Varanen ook gegeten worden, vrolijk dat Lao people alles eten. Hij showt een soort ratachtige vleermuis. Hij vraagt op zijn beurt of wij als bezoekers van dit land deze lekkernijen niet willen uitproberen. Met een excuus dat onze magen dit voedsel niet gewend zijn, wimpelen we zijn aanbod af. Een discussie over uitstervende diersoorten en jacht gaan we uit de weg.

Een paar uur later in Thakhek (wederom aan de Mekong) zittend aan weer een boulevard met een beerlao in de hand, zien we een rondvaardboot vanuit Thailand langsvaren, even naar dat arme Loas kijken. We zien de vele flitsen vanaf de boot. Niet verwonderlijk vinden wij omdat de kade aan Loaszijde tien keer mooier is dan die van de Thaise kade. We hebben daarmee centraal Loas wel gezien. Behalve de bergdorpjes en de Mekong is er niet zoveel te beleven in dit gebied.

Inmiddels zijn we na een luxe busrit van zes uur gearriveerd in Vientiane, de hoofdstad van Laos, een week eerder dan gepland. We zijn van plan hier een aantal dagen te vertoeven, de sfeer, de stad enmeer Lao-eten te proeven alvorens ons te beraden over de vervolgroute. Blijf reageren, geweldig jullie reacties en we zullen opletten wie we welke vragen stellen. ;-)

Vijf ontmoetingen, vijf verhalen

Darat

We ontmoeten Lydarat (Darat voor toeristen), een tourguide zoals hij zelf zegt. Het is een vrije jongen van zevenentwintig die zelfstandig tochten organiseert, scooters verhuurt en mensen binnen praat vanaf het busstation. Hij doet dat voor Tree Top, het 'bungalowpark' in Banlung waar wij logeren. Daar mag hij ook in het restaurant, volledig open met een dak erboven, blijven slapen. Als de gasten zo'n beetje naar bed gaan richt hij een bedje in met een klamboe en gaat slapen. Een gratis bed en eten in ruil voor het inbrengen van toeristen. Zo wil hij het ook. Hij helpt gasten soms wel met eten of bestellingen omdat hij één van de weinigen is die Engels spreekt en hij spreekt het opvallend goed. Hij wil niet in dienst van het park, zoals de twee anderen die 50 dollar in de maand verdienen en daarvoor van zes uur in de ochtend tot negen in de avond beschikbaar moeten zijn. Darat wil zijn vrijheid niet kwijt. De keerzijde is dat hij soms dagen geen werk heeft en dus niks verdient. Zeker nu, in het begin van het regenseizoen als het aantal toeristen beperkt is. Ooit hoopt hij z'n eigen 'business' te kunnen opzetten. Maar daarvoor is er nog geen geld. Van het weinige dat hij verdient moet hij ook zijn moeder en broer onderhouden. Zijn vader, zus en andere broer zijn inmiddels overleden. De laatste twee op zeer jonge leeftijd.

Tot z'n dertiende jaar woonde hij bij zijn ouders die een suikerplantage hadden. Er was geen geld voor school dus moest hij in het bedrijf van zijn vader meehelpen. Om het sap uit de boom te halen klommen ze hoog in de palmen. Een gevaarlijk werkje, zeker bij harde wind en regen. Voortdurend was er de angst om uit de boom te vallen en te sterven, zo vertelt hij ons. Hij ging werken in de haven van Kratie als kruier voor de bagage van toeristen. Zo kwam hij dus in aanraking met toeristen en leerde hij langzaam wat Engels. Hij had al snel door dat Engels een belangrijke taal zou zijn om in de toeristenwereld wat voor te stellen. Ook als kruier verdiende hij weinig en toen hij merkte dat een vriend de bagage helemaal naar het hotel bracht en daarmee soms vier dollar verdiende omdat hij de toeristen ook van informatie voorzag, had hij door dat daarmee geld te verdienen was. Hij ging lessen Engels volgen en begon in Banlung als zelfstandige gids en legde langzaam connecties met in de omgeving.

Zo komen we (Darat, Julien een Fransman, Annemarie en Wim) op een avond in discussie over Cambodja en de dingen waar wij toch wel wat kritiek op hadden. De vuilnis op straat en in de natuur. De verwoesting van de jungle etc. Realiseert de bevolking zich niet dat ze de aarde maar even in bruikleen hebben en voor hun kinderen en kleinkinderren een fatsoenlijke situatie moeten achterlaten? Darat maakt ons met de nodige emotie duidelijk dat als je, zoals de meeste mensen hier en zeker op het platteland, alleen maar bezig bent om voor die dag voldoende eten te hebben, je hen niet kwalijk kan nemen dat ze niet nadenken over de toekomst of over het milieu. Daarnaast ontbreekt de scholing om een en ander voldoende te begrijpen legt hij ons uit. Darat verkeert in de positie om over het leven te kunnen nadenken en dat stemt hem ook vaak triest. Te zien hoe mensen op de markt of op het land ploeteren om één of anderhalve dollar per dag te verdienen. Dagen maken van 14 tot 16 uur in barre omstandigheden. Mannen die niks te doen hebben en daarom met hun scooter als mototaxi proberen een beetje geld te verdienen, maar er zijn al tien keer meer mototaxis dan mensen die vervoerd willen worden. Het is dus een echt een struggle for live.

Darat verdient in het hoogseizoen soms tot wel 200 dollar per maand, maar als het rustig is zoals dit jaar en zeker nu in het natte seizoen dan verdient hij soms weken niks. Vergelijk het, zegt hij, met een fles water waar je het mee moet doen. Steeds wordt er wat uit gedronken en als het regent wordt de fles gevuld maar als het een droge periode is zul je steeds minder uit de fles gebruiken en toch zal hij leegraken. Hij weet dat wij in Europa dat soort problemen niet echt kennen. Hij weet verrassend veel over de westerse wereld terwijl hij nog nooit buiten de regio geweest is. Darat vertelt ons dat hij een jaar of zeven geleden nog een goed mens was, maar dat tegenwoordig ook hij in eerste instantie aan zichzelf denkt. Ik zie zoveel mensen die hulp nodig hebben, mensen zonder benen of armen, kinderen die al kinderen hebben, ouderen waar niemand naar omkijkt en die uiteindelijk van honger sterven. Ik keer me om en loop weg, ik kan toch niet alle mensen helpen dus sluit ik mijn ogen voor deze ellende. Als hijzelf een gebrek aan geld heeft belt toch z'n moeder weer om geld. Hij probeert te doen wat hij kan, maar soms is hij het gebedel van zijn moeder goed zat. Zijn geweten speelt hem parten; hij vertelt ons dat z'n nichtje (dochter van zijn broer) naar het ziekenhuis moest maar daar was geen geld voor. Uitgebreid licht hij toe wat er zich in zijn hoofd heeft afgespeeld. Eén ding kon hij niet verdragen, dat zijn nichtje zou overlijden omdat hij geen geld gegeven zou hebben. Dus verkocht hij z'n mobiele telefoon (belangrijk voor zijn werk) om z'n nichtje te kunnen helpen.

Er is een te grote kloof tussen rijk en arm zegt Darat. Geld bepaalt hier in Cambodja alles. Als je geld hebt kun je alles en iedereen kopen inclusief het rechtsysteem dus zal er niet snel iets veranderen. De rijken maken politiek en bewegen zich op het politieke toneel en er verandert eigenlijk niks. Ja, misschien heel langzaam omdat iedere Cambodjaan televisie kijkt. Hij geeft ettelijke voorbeelden van de misstanden en curruptie in zijn land. Als een nichtje van een manager werk nodig heeft moet er iemand uit ook al werkt diegene prima. Het nichtje krijgt altijd haar of zijn baan. Veel vertrouwen in de toekomst heeft hij niet hoewel hij voor zichzelf wel kansen ziet. Op vragen waarom hij nog geen meisje had antwoordde hij 'dat kan ik me nog niet permiteren'. 'Ik heb haar niks te bieden dus zal dat nog even moeten wachten'.

Mr. T

Hij is de eigenaar van het bungalowpark waar wij nu logeren. Daarnaast is hij eigenaar van guesthouse Riverside in Stung Treng. Het bungalowpark bestaat uit een hoofdgebouw, keuken en bar met een uitgebreid overdekt terras en daarachter nog een gebouw met een zestal kamers voor toeristen. Vervolgens zijn er loopbruggen naar elf vrijstaande 'eco-bungalows' die op verschillende hoogte staan en uitzien over een mooi dal en Banlung in de verte. Het zijn idyllische huisjes van hout en bamboe met alle voorzieningen die noodzakelijk zijn, inclusief badkamer en klamboe. De situering zo langs de heuvelrand op verschillende hoogte verbonden met een loopbrug geeft het een avontuurlijk karakter. Wij zijn wel geinteresseerd in het ontwerp en hoe hij dit tot stand gebracht heeft. Zonder al te veel aandringen vertelt hij z'n levensverhaal.

Ook hij is, net zoals Darat, van arme komaf. Zijn vader, kleermaker van beroep, laat hem echter helemaal vrij in zijn keuzes. Toch neemt hij het bedrijf van zijn vader in Stung Treng over als blijkt dat deze stervende is. Hij ziet dat met het opkomende toerisme geld te verdienen is. Bij zijn kledingzaak zet hij één tafel en een bord met: gratis informatie. Hij merkt dat toeristen een combinatie prettig vinden; eten, slapen, informatie en een ticket voor de boot. Stung Treng is op dat moment een belangrijke halteplaats van en naar Laos. De wegen zijn slecht dus vervoer over het water is de enige ontsluiting. Al snel zet hij twee tafels neer en weet meer toeristen te trekken. Ook toeristen uit Thailand en China horen tot zijn klanten. Door zijn slimme handelsgeest groeit zijn onderneming al snel uit tot guesthouse, restaurant en plaats waar tickets voor de boot kunnen worden gekocht, die hij overigens ook bezit. Het kleermakerschap is verdwenen. Wat jaren later wordt hij verliefd op een lerares uit Banlung. Zij geeft vooral les aan minderheden en ervaart haar werk als heel zwaar. Ze trouwen, zij geeft het leraarschap op en komt hem helpen in het guesthouse. Maar Stung Treng is voor toeristen minder aantrekkelijk geworden. De wegen naar Laos worden verbeterd en de toeristen hoeven niet langer in Stung Treng te logeren. Mr. T is niet voor één gat te vangen. Hij merkt op dat Banlung in de nabije toekomst een toeristische plekpleister zou kunnen worden. Hij koopt de grond van zijn schoonouders en begint te bouwen aan zijn bungalowpark met geld wat hij verdiend heeft, geld van zijn schoonouders en het laatste restje moet hij lenen.

Het design is van eigen hand, hoewel hij wel bij enkele resorts in Thailand is gaan kijken. Hij is helemaal weg van hout. Vooral de enorme massieve bladen zijn z'n favoriet. Hij heeft er meerdere, ze dienen als tafel. Het zijn bladen uit één stuk van bomen die waarschijnlijk duizende jaren oud waren. Hij heeft er nog veel meer van en het zal hem op een dag rijk maken zegt hij. Dit is meteen in onze ogen het dubbele van zijn onderneming; het gebruik van hardhout op grote schaal, maar tegelijkertijd draagt hij zorg voor zijn omgeving. Hij probeert de arme, ongeletterde gezinnen die langs de weg naar zijn bungalowpark wonen te leren geen afval op straat te gooien. Natuurlijk heeft hij daar een zeer groot eigenbelang, maar een begin is gemaakt. Zijn kinderen, twee meisjes van drieeneenhalf en tweeeneenhalf, leren al vroeg Engels. Ze zitten al snel bij ons op schoot om ook wat Nederlandse woordjes te leren. Over enkele jaren zullen zij de gasten bedienen en voorzien van informatie. Zowel mr. T als zijn vrouw komen sympathiek over en lijken goed om te gaan met hun personeel. Ze hebben een goede keuken en het is er goed toeven. We blijven er uiteindelijk vier nachten, twee nachten meer dan gepland.

De Australier

We hebben al een paar keer een Australier gespot maar deze man is een beetje op zichzelf en besteedt weinig aandacht aan anderen. Als we op een onbewaakt moment even zitten te praten met een Engelse jongen die samen met drie meiden is aangekomen, komt de Australier er plotseling bijzitten en begint zelfs te praten. Hij heeft gehoord wat wij de Engelsen vertellen over de regio en bevestigt sommige verhalen. Een uitgelezen moment om de man te vragen wat hij hier doet omdat we al wel doorhadden dat hij geen toerist is.

Hij vertelt dat hij hier werkt, hij is ingenieur en wel voor 'Care' een internationale organisatie die zich bezighoudt met ruimen van mijnen. Hij is vooral betrokken bij het ruimen van granaten langs de Thaise grens. Uit de tijd van de Rode Khmer is hier nog veel blijven liggen omdat de Rode Khmer er tot 1997 nog actief geweest is. Als wij vragen of deze mijnen en granaten nog slachtoffers vragen zegt hij dat in de maanden dat hij hier werkt al dertien slachtoffers gevallen zijn onder de locale bevolking. Nog twee weken en hij is hier klaar. Het bevalt hem zo goed in deze omgeving dat hij inmiddels gesolliciteerd heeft bij de mijnopruimingsdienst in Vietnam. Volgens de man is daar nog heel veel werk voor mijnopruimingsspecialisten. Resten van bommen en mijnen uit de Vietnamoorlog die op minder bekende plaatsen met enige regelmaat slachtoffers vragen.

Mister Chanhsouk Bouakeo

Als we op de boulevard in Savannakhet lekker gaan eten zit daar de heer Chanhsouk al enige tijd met z'n hele gezin. We hebben al een paar keer waargenomen dat er naar ons gekeken wordt en over ons gepraat wordt. Op enig moment staat hij op en spreekt ons aan in het Duits. Hij heeft in Duitsland gewerkt en veel kennis opgedaan over bosbeheer. Nu is hij Nationaal consultant voor bosbeheer in Laos voor de provincie Khammouane. Hij vindt het fantastisch om weer eens Duits te spreken en het hele gezin moet met ons kennismaken. Daarnaast vinden ze het erg leuk dat wij ons tussen de Laotianen begeven en de regionale keuken op straat uitproberen. Na de nodige foto's en uitwisselen van emailadressen (en het visitekaartje van Chanhsouk) nemen we aan het einde van de avond hartelijk afscheid en wensen elkaar al het goede van de wereld.

Een Oliemeneer

Bij het busstation in Thakhek maken we kennis met een ingenieur van een oliemaatschappij. Hij stelt de gebruikelijke vragen over waar we vandaan komen, hoe lang we in Laos zijn en hoe lang we nog blijven. Als we naar zijn bezigheden vragen gaat het gesprek al gauw over Laos. Laos, nog altijd een Sociale republiek op Communistische grondslag met een éénpartij-stelsel is aan het veranderen. De jeugd ziet en hoort veel meer dan vroeger en verandert in een hoog tempo.
Ook hij is anders dan zijn vader die nog altijd voor het communisme is. Hij kijkt naar wat goed gaat en wat niet. Op basis daarvan stelt hij zijn grenzen. Laos zit in een pact met tien Aziatische landen en moet dus wel meeveranderen. We zijn nog niet zover als Europa vertelt hij, maar er komen wel langzaam meer afspraken. De grootste bedreiging van zijn omgeving is wel de ontbossing. De man is niet meer te stoppen als hij daarover begint. De regering is voor een te groot deel afhankelijk van de export van hardhout en dat moet snel veranderen vindt hij. Gelukkig hebben we inmiddels ook olie en gas in Loas aangeboord en kunnen we daaruit gelden genereren. Dat zal de economie wellicht meer mogelijkheden bieden.

Als we de bus ingaan zeg ik tegen de busboy dat hij voorzichtig moet zijn met mijn rugzak omdat daar een computer inzit. Mister 'Olie' geeft enkele instructies en onze rugzakken liggen op de mooiste plek in de bus (daar hadden wij wel willen zitten). Ook tijdens de busreis zien we dat hij om de vijf minuten zakelijke telefoontjes pleegt en hij zit uiteraard helemaal voorin met alle gemakken die daarbij horen. Bij het verlaten van de bus blijft het bij een beleefd gedag.

Si Phan Don en en de hoogvlakte van Bolaven

Na onze rustperiode in Banlung nemen we afscheid van Sali en Tum, twee lieve dochters van Mr. T, de eigenaar. We reizen verder naar Zuid-Laos.

Na de inmiddels overbekende bizarre minibusritten (met onze voeten op zakken rijst met knieen tegen de kin) worden we vanaf de grens verder gebracht met een Loatiaanse tuk tuk en vervolgens overgevaren naar Don Det, een klein bewoond eiland in de Mekong rivier. In de Tuk Tuk krijgen we een ongelofelijke onweersbui over ons heen, waardoor de weg naar het veer, vol kuilen en gaten, verandert in een modderpoel. Af en toe hellen we vervaarlijk over naar één kant, maar wonder boven wonder bereiken we zonder 'Mercedes Baby Benz' praktijken de boot.

Vlak voor de grens met Cambodja splitst de Mekong zich in verschillende armen waardoor er duizenden eilandjes ontstaan. Hieraan onleent de streek haar naam 'Si Phan Don': vierduizend eilanden. Vanaf de boot is het een prachtig gezicht; eilandjes met enkel een paar struiken en ook eilandjes met alleen maar varkens. De eilanden die ook in de regentijd boven water blijven worden bewoond. Als we aan land gaan in Don Det zien we alleen maar kleine geschakelde houten blokhutten die een gezamenlijke veranda hebben met zicht op de rivier. Pas de volgende dag als we een wandeling maken over ons eiland en via de Franse brug oversteken naar het buur-eiland, zien we hoe mooi de natuur en hoe vredig het leven is op de eilanden. Don Det blijkt een goede uitvalsbasis voor het bezoek aan twee prachtige watervallen en de reeds genoemde, voormalige Franse spoorbrug. De spoorrails zijn inmiddels gebruikt voor andere doeleinden en de locomotief staat weg te roesten in een weiland, maar de sfeer is nog herkenbaar. De spoorlijn liep over twee eilanden omdat vervoer met boten ter plaatse van de watervallen niet mogelijk was. Voor de watervallen werd de lading overgeladen op de trein en aan het einde van het tweede eiland lagen weer boten klaar om de lading verder over de Mekong te vervoeren.

De grootste waterval is 15 meter hoog en één kilometer breed. Deze imposante waterval van Pha Pheng is de breedste ter wereld (volgens Loatiaanse informatie). Over de gehele breedte stort het water zich over de vele rotspartijen naar beneden. Een magnifiek gezicht, zeker omdat we, over de rotsen naar beneden klauterend, dichtbij kunnen komen. Daarbij moeten we af en te over een dun boomstammetje balanceren, neergelegd door de vissers die in het snelstromende water hun netten hebben uitstaan. We hebben daar beneden aan de waterval even zwijgzaam zitten kijken, luisteren en vooral genieten van dit prachtige natuurgeweld.

Na twee primitieve nachten in Don Det genieten we van een heerlijke luxueuse nacht in een guesthouse in Pakse in een kamer met airco, badkamer zonder geluidsoverlast 's-ochtendsvroeg om half zes. Om half negen een heerlijk ontbijt van gebakken eieren met brood, Lao-thee en ter afsluiting een heerlijke kop koffie. Terug naar de kamer en dan lekker poepen op een westers en schoon toilet mmmmmm.............

Om half één, een uur later dan op ons busticket staat, vertrekken we naar de hoogvlakte van Bolaven, 'plaats van de Laven' (Laven is de grootste etnische groep in de streek). Om half tien zijn we echter al op het busstation dus dat betekent drie uur wachten. Nou is op elke plek waar mensen samenkomen of even vertoeven een markt, dus echt vervelen doe we ons niet. Het laatste uur hebben we onszelf vermaakt met het kijken naar de vertrekkende bussen; een wiel verwisselen terwijl de bus vol zit met mensen; een touringcar(achtige) bus die bovenop volgestapeld wordt met lading waardoor deze geen balans meer heeft. Nou ja, vermaken.... we beseffen dat hierdoor veel ongelukken gebeuren. We reizen zelf in een iets luxueuzere touringcar die pas vertrekt als er voldoende passagiers zijn. De wegen zijn verhard hoewel Laos tot de minst geasfalteerde landen ter wereld zou zou moeten behoren (komt misschien later nog). Op een kruising worden we gedropt en geacht zelf een Tuk Tuk te huren naar onze uiteindelijke bestemming. Dat was in Cambodja wel anders; daar werd de reis van begin tot eind voor je geregeld. Maar ook dit gaat goed (hoewel Wim zijn hoed vergeet bij het overstappunt) en komen we in Tad Lo, een dorpje midden in het Bolavenplateau waar vanuit het gehele gebied met de scooter bezichtigd. Het schilderachtige landschap bestaat uit dichte bossen en watervallen, met her en der kleine dorpen van de Mon-Khmer. De hoogvlakte ligt op 1000 meter hoogte en heeft het hele jaar door een gematigd klimaat. Koffie, thee, kardemom en vruchten zoals de Durian (nog steeds niet geproefd... wel de penetrante geur geroken) komen van deze hoogvlakte. We vinden opnieuw een prachtig guesthouse met uitzicht over de rivier de Set Set.

Op een rustig moment lopen we het primitieve dorpje in (het prehistorisch dorp in Eindhoven is er luxe bij). Het is alsof je terugstapt in de 19e eeuw, met één uitzondering en dat is TV en sateliet. Het is werkelijk onbeschrijfelijk hoe mensen hier wonen en leven. Kinderen, varkentjes, kippen, koeien, geiten, werkelijk alles loopt en leeft hier door elkaar en met elkaar. De woningen zijn soms onvoorstelbaar, het is niet te beschrijven en eigenlijk ook niet te fotograferen (zie toch de foto's). De dorpsgemeenschap maakt een goede indruk op ons. Gereserveerd en met enige trots kijkt men hoe wij ons door het dorp begeven. Let wel; er zijn niet echt straten, het is alsof je via paden naar de buren loopt. Laotianen zijn minder uitbundig en meer gereserveerd dan de Cambodjanen, maar wel aardig. Voor het eerst begon een kindje te huilen toen wij door het dorp liepen en Wim te dichtbij kwam, maar goed; dat gebeurt in Nederland regelmatig als Wim te dichtbij komt!

Een dag later verkennen we het Bolaven plateau per scooter. Hier in Laos is een scooter een stuk duurder dan in Cambodja en Vietnam. Het waarom is niet geheel duidelijk; wellicht hebben ze minder beschikking over scooters of proberen ze de prijs hetzelfde te houden als van een georganiseerde track. Ook internet is hier beduidend duurder. Dat komt volgens een Engelsman die we spreken omdat in Laos internet gehost wordt door de regering en er slechts duizend gebruikers zijn in het hele land, voornamelijk toeristen. We weten wat van de huurprijs van de scooter af te dingen en hebben zo de vrijheid om de wegen in te slaan die wij willen.

Door een bord over de aanleg van een nieuwe stuwdam (vast gedaan met internationale hulp) dat we volgen, raken we een beetje verdwaald en komen vervolgens door de meest prachtige bergdorpjes van de hoogvlakte. Hechte gemeenschappen volledig op elkaar aangewezen. We komen langs koffie en theeplantages en vooral ook veel bananen. In een van de dorpjes zijn we toe aan een pauze. Lao beer is altijd voorradig en in tegenstelling tot Cambodja vanuit de koelkast geserveerd ipv een koelbox met ijsblokken. Je moet je voorstellen dat in zo'n dorpje van dertig houten of bamboe hutjes er één of twee hutjes zijn die de functie hebben van supermarkt (te zien aan zakjes shampoo die aan het plafond hangen) en tevens plaatselijk café (te zien aan flesje frisdrank die zijn uitgestald en een tafel met stoeltjes). Het is alsof je bij mensen thuis bent beland en dat is tevens de charme van dit gebied hier in de bergen. We krijgen een biertje geserveerd en krijgen daar ongevraagd fruit bij. Bananen en een soort van hele kleine manderijntjes, heerlijk zoet. Wim papt natuurlijk weer aan met het kleinste kind van het gezelschap en Annemarie krijgt van de grootvader (die erg gecharmeerd is van die westerse dame) twee prachtige rode bloemen. Wat een geweldig land!!!! Een flinke hagedis (moet nog drie keer zo groot worden volgens opa) die ze gevangen hebben trekt nog even onze aandacht, maar het is niet duidelijk waarom dit dier gehouden wordt? Voor de maaltijd misschien? We komen er niet achter ondanks gebarentaal en het gebrekkige Engels van deze bewoners.

We hebben een aardige indruk gekregen van de hoogvlakte en we vertrekken morgen naar hoger gelegen gebieden. Ook backpackers reizen de gebaande wegen en wij willen juist van de grotere wegen afwijken, maar dat is voor toeristen een beetje moeilijk te regelen. We gaan dus morgen in een dorpje langs de weg zitten om te wachten op het lokale vervoer. Misschien duurt dit avontuur maar één dag en gaan we morgen weer naar een soort reisbureau.

Wordt vervolgd...........

Vakantiegevoel in Banlung

Vakantiegevoel:

In Banlung, een klein bergstadje (dorp) in het noordoosten van Cambodja, hebben we de ideale logeerplek gevonden. We wonen nu zo'n drie dagen in een soort bamboe-bungalow op houten palen en een palmbladeren dak. De bungalow heeft een geweldige veranda (plus hangmat) met een prachtig uitzicht over het dal. Er zijn meerdere paalwoningen die op verschillende hoogte staan en te bereiken zijn via loopbruggen. Met andere woorden 'het echte vakantiegevoel'.Een beetje lezen op ons eigen terrasje, in de hangmat en dan weer eens wat ondernemen.

We hebben een paar dagen geleden een prachtige tocht door de jungle gemaakt op de rug van een olifant. De berijder was aanvankelijk nergens te bekennen, maar kwam na een half uurtje wachten aansjokken. De olifant werd van de ketting bevrijd en opgetuigd met een houten vlonder. De tocht leek meer op het uitlaten van de olifant dan op een geconditioneerd ritje. Het beest stopte bij elke bananenboom en bamboestruik die hij tegenkwam om rustig te eten. Na anderhalf uur hadden wij het helemaal gehad in dat houten vlondertje schuddend op z'n rug. We kwamen bij een waterval uit waar de olifant bovenlangs de rivier overstak. Dat was toch wel even spannend. Al eerder op de route was het dier namelijk een keertje uitgegleden.

Erg vies en met allemaal kleine beestjes onder onze kleding van de jungletocht, hadden we behoefte aan wassen. In een vulkaanmeer in de buurt hebben we heerlijk gezwommen in het prachtige en schone water. Het volkomen ronde vulkaanmeer van Boeng Yeak Lom ligt in een beschermd en ongerept natuurgebied. Er doen geruchten de ronde over een wezen dat in het meer zou huizen: een plaatselijke variant op het monster van Loch Ness. Wij zijn toch een heel eind het meer op gezwommen, maar hebben geen monster kunnen waarnemen. Wel hadden we zelf volop de aandacht door onze zwemkleding. De Cambodjanen gaan zelf gekleed het water in. Deels vanwege de behoudende cultuur, deels vanuit het niet bruin willen worden. Een witte huid is een schoonheidsideaal zoals we al eerder schreven.

Vermeldingswaardig was de tocht naar de dorpen van de minderheden. Etnische groepen die bekend staan als Chunchiet. Ze leven van zwerflandbouw en dat konden we onderweg ook erg goed waarnemen. Stukken platgebrandde jungle en weer verlaten. Chunchiet zijn animisten die geloven dat rivieren en bomen de verblijfplaats zijn van geesten. Ze doen aan voorouderverering en geven overledenen gebruiksvoorwerpen mee, waarmee ze zich kunnen redden in het hiernamaals. Tegenstrijdig hieraan vinden wij de wijze waarop de Chunchiet (en de rest van de Cambodjanen) met de natuur omgaan. Behalve platbranden van de jungle gooien ze overal het vuil zo maar neer. We rijden met onze scooter veertig kilometer door een rood zandpad met als uiteindelijke bestemming Voen Sai. Het pad is de enige toegangsweg naar dit dorp, dwars door de jungle. Onderweg komen we nog wat kleine dorpjes tegen van de Kreung en de Tompoun. Opvallend zijn de kleine huisjes op palen voor ongetrouwde meisjes en jongens. In deze huisjes kunnen de jongeren kennismaken met hun mogelijk toekomstige partners. Aangekomen in Voen Sai, niet meer dan wat kraampjes en winkeltjes, nemen we het veer naar de noordkant van de rivier Tonlé Sap, een mooie rivier die uitmondt in de Mekongrivier. We komen in het zogenaamde Chinese dorp met uiteraard van oorsprong een Chinese minderheid. Het dorp ziet er mooier en schoner uit dan hetgeen we tot nu toe gezien hebben. De op- en afritten van de pont zijn spectaculair te noemen als je daar met een scooter op en afmoet.

Vandaag nemen we het ervan; wat liggen in onze hangmat, lezen onder de veranda of misschien toch nog even een wandelingetje naar de dagelijkse markt. Als het te heet wordt gaan we misschien nog even zwemmen in het vulkaanmeer.

En morgen ...............vertrekken we naar Laos!

Busritten, dolfijnen, busritten en een minibusrit

Op weg naar de Dolfijnen in Kratie via Kampong Cham en daarna naar de bergdorpjes.

Om zeven uur veertig moeten we al bij het boekingskantoor zijn om met een minibusje naar de touringcar gebracht te worden die om kwart over acht vertrekt. Bij het grote busstation aangekomen is het vervolgens weer wachten.

Ondertussen rolt het Cambodjaanse leven aan ons voorbij. Talloze volgeladen, vreemde en bijzondere voertuigen passeren; mobiele winkeltjes, bijrijders van de grote bussen proberen elke voorbijganger de bus in te kletsen en verveelde politieagenten.

Het lijkt wel of de bus eerst vol moet zitten want om kwart over acht gebeurt er niks. Om half negen dienen zich nog allerlei passagiers aan waaronder twee meisjes met een scooter. Overleg tussen de busmannen, vervolgens gaan de spiegels eraf, het voorwiel eruit en hup de scooter gaat horizontaal het laadruim in.

Hopelijk liggen onze tassen er niet naast, mocht de scooter onverhoopt gaan lekken. Maar in Cambodja kan heel veel hebben we al wel gemerkt.


Om kwart voor negen maakt de bus dan eindelijk aanstalten om te rijden, intussen stapt de bijrijder nog drie keer uit om van alles te regelen en staan we honderd meter verder bij het tankstation weer stil. Er stapt wel weer een nieuwe passagier in. Vijfhonderd meter verder maken we weer een stop. Even is er druk overleg, blokkeren we een vrachtwagen die met zijn lading van het terrein af moet, maar daar wordt dan toch een nieuwe passagier opgepikt en kunnen we weer verder.

Om tien over negen maakt de bus eindelijk vaart en lijken we op weg.

De bijrijder deelt zakjes uit, dus we bereiden ons weer voor op kotstaferelen.

Dat blijkt dit keer mee te vallen want het eerste gedeelte is het wegdek goed en maken we vaart.

De gebruikelijke karaoke-dvd wordt snoeihard aangezet. Tijdens het wegdutten schieten we regelmatig overeind omdat de boxen en/of de versterker hun beste tijd hebben gehad; zonder dat iemand aan de knoppen zit schiet het volume naar maximaal.

Om tien uur, na nauwelijks een uur rijden maken we een stop bij een typisch Cambodjaans wegrestaurant. Een verzameling plastic stoeltjes en tafeltjes, eetstalletjes, een fruitmarkt en wc's. We maken snel gebruik van het toilet om vervolgens de bus angstvallig in de gaten te houden. We willen niet, net zoals in Vietnam, het risico lopen dat we te laat zijn.

We zien een jonge koe de restjes van maiskolven opeten die her en der worden neer gegooid. De koe scharelt bijna tot aan de tafeltjes.

Om half elf heeft de chauffeur gegeten dus kunnen we verder. Daar denkt een oude boeddhistische monnik (tevens medepassagier) anders over.

Hij blijft rustig eten en de hele bus wacht maar even tot hij klaar is, pas dan vervolgen we onze reis.


Het wegdek wordt slechter, de dvd gaat gelukkig niet meer aan, maar een meereizende baby heeft geen zin ?eer in de reis en laat dit heel duidelijk horen.

Wederom schrikken we met regelmaat op uit ons dutje.

Na twee stops, want er moet een kind plassen, waarop vervolgens een lading Cambodjaanse mannen ook moet en er ook nog een passagier met twintig dozen bagage instapt, heeft de baby het echt helemaal gehad en stopt niet meer met huilen. Al snel gaat huilen over in een oorverdovend gekrijs. Ze zitten maar drie rijen achter ons, kan die dvd nou toch weer aan misschien..........

Het wegdek kan nog slechter, de bus moet een stuk stapvoets rijden.

De reis duurt langer dan verwacht en het reispilletje van Annemarie raakt langzaam uitgewerkt, een tweede is niet voor handen.

Waar blijft de eindbestemming?

Eindelijk is daar de verlossing. Lichtelijk duizelig en met pijnlijke nekspieren verlaten we om 14:30 de bus, banen ons een weg door de opdringerige taxichauffeurs (where you go sir, I know hotel madame), ploffen neer op het eerste het beste terras dat we tegenkomen en bestellen een cola; het medicijn tegen de misselijkheid.


Na nog zo'n vergelijkbare busrit de volgende dag en we zijn aanbeland in Kratie, Oost-Cambodja.

Om negen uur de volgende ochtend gaan we op de scooter (géén fiets vandaag) naar Kampie. Kampie, een deel van de Mekongrivier 15 km ten noorden van Kratie, biedt de mogelijkheid om de Irrawaddy-dolfijnen van dichtbij te observeren. We gaan met een bootje op zoek naar de dolfijnen.

Al na vijf minuten varen zien we de eerste dolfijnen zwemmen. Ze springen niet omhoog zoals de uitbundige tuimelaars, maar komen half uit het water om adem te halen, waarbij ze een knorrend geluid uitstoten.

Al snel blijkt ons fototoestel niet geschikt om actiefoto's te nemen. Voordat het toestel reageert zijn de dolfijnen alweer onder water.

Dus maar filmen met het toestelletje, en waarachtig we hebben een aardig, enigszins trillend, maar duidelijk filmpje van de dolfijnen die regelmatig boven water komen.

Irrawaddy-dolfijnen – Orcaella brevirostris – voor de collega's van biologie, leven in de diepere delen van de Mekongrivier in Cambodja en Laos.

Het zoogdier met de ronde kop zonder snuit en kleine driehoekige rugvin lijkt meer op een bruinvis dan op een zeedolfijn.

Het is één van de vijf zoetwaterdolfijnen ter wereld en uiterst zeldzaam. Na vijf jaar zijn ze volwassen, meten dan ruim twee meter en wegen tot 150 kilo. Ze voeden zich met vis, garnalen en rivierkreeftjes. Het zijn de meest bedreigde dieren ter wereld onder andere door bevissing met dynamiet of ze raken verstrikt in de visnetten en verdrinken. Er is wel een internationaal project om ze te redden, maar er zijn naar schatting nog maar 150 exemplaren.


Nog onder de indruk van de dolfijnen rijden we op onze scooter wat rond in de omgeving. We zien prachtige kleine hutjes waarin hele gezinnen wonen.

Prachtig is dus wel beeldend bedoeld omdat de leefomgeving van deze mensen bijna bedroevend te noemen is. Het lijkt zo romantisch; varkentjes scharrelend onder de paalwoningen, kippen die in en uit rennen met hun kuikens, de os graast sloom langs de kant van de weg en kindertjes rennen lachend en spelend in hun blote billen rond. Ondertussen slaapt pa in de hangmat of op een soort lage tafel met kokosmat. Moeder rommelt wat met de kinderen of het eten.

Let wel; deze gezinnen leven ver onder het bestaansminimum.


Eindelijk terug in Kratie, met een Angkor biertje in de hand aan de rivier, krijgen we een ongelofelijke onweersbui over ons heen.

Blijkbaar de voorbode van ander zwaar weer wat ons nog te wachten staat.

Bij de enige plaatselijke bank van Kratie blijken onze passen niet geschikt. Met Maestro kun je alleen in de grotere steden van Cambodja terecht.

We moeten dus weer helemaal terug naar Kampong Cham..........dat kost ons twee dagen..... na enige krachttermen leggen we ons bij de situatie neer en regelen een busticket.


Bij de tweede rit ontmoeten we Savan: where you come from? Where you go to? How long you stay in Cambodia? Het gesprek met de jonge Khmer-vrouw begint ook zoals hierboven beschreven. Meestal blijft het daarbij omdat dan het Engels op is. Maar met Savan gaat het verder. We schatten haar begin twintig, maar ze blijkt eenendertig jaar. In het gesprek vertelt ze over haar werk, haar leven en het feit dat ze inmiddels te oud is om nog te trouwen. Cambodjanen trouwen heel jong, zo rond de twintig.

Haar vorige vriendje vond haar te oud en nu is ze alleen. Omdat wij een bruiloft gezien hebben vragen we naar de gewoontes hierover in Cambodja. Wat wij gezien hebben kunnen alleen de rijken zich permitteren vertelt ze ons. De rijken kun je herkennen aan de lichte huid en they are fat. Savan is in onze ogen een hele mooie vrouw maar heeft een veel donkerdere huid en is daarmee minder aantrekkelijk voor welgestelde jonge Cambodjanen. Dat verklaart waarom wij al meerdere keren whitening cream gezien hebben.


Ziekenhuizen, hotelkamers en huisdieren.

Het lijkt ons eens tijd voor een beschrijving hoe we ons toch langzaam aanpassen aan de omstandigheden. Daarmee geven we ongetwijfeld ook antwoord op vragen die ons gesteld zijn.

Annemarie is laat in de avond gebeten (tikkie) door een huishondje dat plotseling naar buiten schoot en hapte. Volgens de richtlijnen moeten we dan naar een ziekenhuis om advies te vragen en evt. injecties te krijgen.

We hebben wat pogingen gedaan, maar voor half elf was bij drie ziekenposten geen arts te bereiken. We gaven het op. Mede omdat de indruk die we kregen van de twee ziekenhuizen die we gezien hebben (zie foto's) niet bijster positief was. De plaatselijke ziekenhuizen hier zijn ondergebracht in een soort van garage waar je ook gewoon naar binnenkijkt. Mensen liggen aan het infuus en kinderen worden gebaard waar de hele straat van kan meegenieten.

Overigens bleek het later loos alarm; het hondje was keurig ingeënt tegen Rabiës.


We hebben inmiddels de nodige guesthouses en hotels gehad en we kunnen jullie vertellen dat daar menig reiziger bij zou afhaken. In grote steden heb je dan nog de dure hotels maar daar voelen wij ons te goed voor. We kiezen voor de kamers tussen de 5 en 10 dollar. Die zijn redelijk te doen. Er zijn ook kamers van drie dollar, maar dan moet je gebruik maken van de gezamenlijke badkamer. Als je de foto's bekijkt van de kamers snap je we dat zelfs wij die keuze niet maken.

We hebben al eens een foto laten zien van de klamboe die beschikbaar was in het hotel maar daar moeten we meestal zelf voor zorgen. Helaas zijn de plafonds vaak te hoog om deze op te hangen. Onze lakenzakken en kussenslopen hebben we al wel verschillende keren gebruikt.

In Cambodja ligt er nl niet meer dan een hele grote badstof handdoek waar je onder kunt liggen. Na een eerste ervaring van pluisjes over het hele lijf en in de mond laten we die voor wat ie is.

Schimmel, papieren wanden en buren(lees: hele straat) overlast is aan de orde van de dag. WC papier is niet aanwezig, erom vragen heeft ook geen zin, want dan moet je zelf naar de plaatselijke supermarkt. Daarentegen is er een Aziatische 'billensproeier' in elk toilet aanwezig, overigens een stuk hygiënischer en op plekken waar de riolering rechtstreeks de Mekong inloopt, wel begrijpelijk.


Wim heeft inmiddels een kakkerlak van zo'n drie centimeter uit z'n bed verbannen en aan Gecko's (zie foto) op de kamer zijn we inmiddels gewend geraakt. Die eten mugjes dus ze zijn meer dan welkom.

Ook mieren en muggen zijn heel normaal in het hotel. Het meest bijzondere dier in onze kamer (hij huisde in de kapotte airco) was wel een Tokay, een soort Gecko maar dan ongeveer 20 cm lang. Ze eten grote insecten tot zelfs kleine vogeltjes.

Het beest maakt een erg hard geluid en houd je de hele nacht uit de slaap. Een soort Teletubbie met z'n Oh Oh, maar dan van zeer hoog naar laag; een hikachtig geluid.

We horen graag of dit beest ook te vinden is op internet.


Na een vijftal busritten zijn we inmiddels in Ban Lung, een klein bergstadje in het noord-oosten van Cambodja. Na een rit van drieeneenhalf uur over onverharde wegen waar de voorwaarden overeenkomen met die van de Python: geen hartproblemen, niet voor zwangere vrouwen. Verder mag je wel kleiner zijn dan 120, maar niet langer dan 1.70 m om veilig in de Van mee te reizen.


We hebben hier in de bergen grootse plannen dus blijf kijken!!!!!